Omdat deze site u wenst te informeren over het bestaan van de Klassieke Rozenkruisers Orde ‘Fama Fraternitatis’, past het om ook enige woorden te wijden aan de geschiedenis van de traditie die zij wenst te vertegenwoordigen. Het gaat echter te ver om op deze site daar uitputtend over te spreken; er zijn goede en heldere boeken die deze geschiedschrijvingen tot onderwerp hebben en waarvan wij een behoorlijk aantal vermelden in het stukje ‘Literatuur’. Maar zoals gezegd zullen we hier wel het een en ander in het kort bespreken.

Wie niet of nauwelijks geschoold is binnen de esoterische wetenschappen en vooral niet wil verdwalen in de talloze beweringen over van alles en nog wat, die zou genoegen kunnen nemen met het nuchtere gegeven dat in het jaar 1614 in Duitsland een opvallend geschrift in de openbaarheid werd gebracht onder de titel: Fama Fraternitatis oder Brüderschafft des hochlöblichen Ordens des Rosenkreutzes. Dit geldt als het oudst bekende manifest. Tot op heden zijn de commentaren over dit manifest zo goed als talloos, en het ene commentaar is nog indrukwekkender dan het ander. Ook met betrekking tot de opsteller van deze manifesten bestaan er verschillende meningen. Nogmaals, wij gaan hier niet nog een stapje bovenop doen, daar is deze site niet voor bedoeld. In het stukje ‘literatuur’ vindt u voldoende boeken die u verder op weg kunnen helpen. Wij halen hier wel enige aspecten aan.

In zijn boek ‘Geschiedenis der Rozenkruisers’ van Mr. Fr. Wittemans (aanvankelijk uitgegeven door Boucher in Den Haag en later herdrukt door Schors in Amsterdam) haalt de schrijver de figuur Michael Maier aan, die in zijn ‘silentium post clamores’ stelt dat de Rozenkruisers de opvolgers zijn van de Indiase Brahmanen, Egyptenaren, Eleusische Eumolpiden, de Mysteriën van Samothracië, de Perzische Magiërs, de Ethiopische Gymnosofisten, de Pythagoreeërs, en de Arabieren. Wittemans zegt dan dat ook de scholen der Neo-Platonici, (Ammonius Sacca, Plotinus, Porphyrius, Jamblichus, Proclus), de Gnostische Broederschappen, de Albigenzen, de Ridder-Orden der Tempeliers, de Waldenzen, Beggearden en Hussieten erbij gevoegd zouden moeten worden. Wittemans betoogt verder op bladzijde 192 dat de Rozenkruisers Orde ontstaan zou zijn in het jaar 1378. Misschien verwijst hij daarmee naar het geboortejaar van de legendarische figuur ‘Vader Christiaan’, die zo genoemd wordt in de Confessio (1615). Of bedoelt hij soms 1378 vóór Christus? Immers, in zijn hele boek haalt hij volkomen kritiekloos de beweringen aan van Harvey Spencer Lewis, de toenmalige oprichter en ‘Imperator’ van de AMORC, een wereldwijde Rozenkruisers organisatie die in de Verenigde Staten in het begin van de vorige eeuw werd opgericht. En deze laatste spreekt in zijn boek ‘Geschiedenis der Rozekruisers Orde’ over het jaar 1378 v.C. als het geboortejaar van Amenoteb IV (later Echnaton geheten). Hij schrijft dan: ‘Echnaton (Amenoteb IV) bouwde niet alleen de Tempel in de vorm van een kruis, maar hij constitueerde ook het kruis en de roos als symbolen en nam verder de Crux Ansata in een speciale kleur, als het symbool dat door alle Meesters wordt gedragen’. Belangwekkend is verder dat Spencer Lewis verder beweert dat ‘men direkt de populaire en geheel verkeerde mening moet verwerpen dat de Rozekruisers Orde haar ontstaan vond in de 17e eeuw in Duitsland’. Over de schrijver Wittemans zegt Harvey Spencer Lewis: ‘De zeer volledige geschiedenis van de Orde, geschreven in het Frans en in andere talen, door Frater Wittemans, lid van de Belgische Senaat en eertijds erelid van inze Orde in Amerika….’ Maar op bladzijde 197 zegt Wittemans toch dat de Orde werd gesticht door Christiaan Rosencreutz, de hoofdrolspeler in de Fama Fraternitatis uit 1614.

Een wat meer kritische houding wordt aangenomen door de onderzoeker Marcel Roggemans (zie: literatuur en sites): ‘Na de dood van Ralph Maxwell Lewis (de zoon van de voornoemde Harvey, okr) volgde Gary Steward (1953 -) hem op als nieuwe Imperator. Steward was hiervoor opgeleid door Ralph Maxwell Lewis. Na enkele jaren ontaarde de hele orde AMORC in een schandaal van corruptie en samenzwering’ *). Roggemans wijst op de splitsing van de AMORC in drie verschillende groepen en de problemen die hier en daar onstonden (in de daarvoor aangegeven site vindt men nadere details).

*) volgens de tekst van augustus 2004


In zijn boek ‘De Manifesten der Rozenkruisers’ (Amersfoort, 1930) schrijft Adolf Santing dat de geschiedenis der Rozenkruisers begint met de manifesten Fama Fraternitatis en Confessio in respectievelijk 1614 en 1615. In de 19e eeuw onstonden nog enkele interessante ontwikkelingen. Ene heer Carl Louis Fredrik Grasshoff (1865-1919), later bekend als Max Heindel en gepokt en gemazeld in de theosofie van Blavatsky en antroposofie van Steiner, richtte in de Verenigde Staten The Rosicrucian Fellowship op, dat zich nader aanduidde als ‘een associatie van Christelijke Mystici’. Naast de later opgerichte en reeds besproken AMORC ontstond in Amerika ook de Fraternitatis Rosae Crucis, geleid door Swinburne Clymer. Tussen deze laatste twee Amerikaanse organisaties ontstond een regelrechte ‘rozenoorlog’ welke in rechtszalen en via pamfletten uitgevochten werd. De AMORC sloeg ook stevig naar de groep van Heindel die op 6 januari 1919 overleed. Drie leden van de Europese tak van deze groep, waaronder de Haarlemse gebroeders Jan en Zwier Leene, gaven een nieuwe impuls aan het geheel en richtten in 1924 in Haarlem het Lectorium Rosicrucianum op, welke in de loop der jaren uit zou groeien tot een wereldorganisatie. Jan Leene, die verder door het leven zou gaan als Jan van Rijckenborgh, schreef meer dan 30 boeken over de gnosis die in vele talen vertaald werden. Het Lectorium Rosicrucianum vormt thans een van de grootste Rozenkruisers-organisaties ter wereld, vertegenwoordigd in meer dan 70 landen met zo’n 16.000 leden. Haar tijdschrift Pentagram wordt in 16 talen uitgegeven.

Een feit wat minder bekend is, is dat Jan van Rijckenborghs meest naaste, zijn eigen zoon Henk, moet hebben ingezien dat de gnosis onmogelijk verpakt kon worden in het pakket waar zijn vader zo gedreven aan werkte. Ook hij zag de grote waarde in van de bekendmaking van de gnostische gedachte maar meende dat zulks in vrijheid moest geschieden. Later schreef Henk Leene dan ook:

‘Zodra de mens zich spiritueel ondergeschikt maakt en zichzelf ordent in een religieuze organisatie, verliest hij zijn ‘geest des harten’, die zich nimmer schikken kan naar de wet van anderen. Men kan naar elkaar toegroeien, maar alles groeit in vrijheid; men kan elkanders wetten respecteren, dat is een vorm van menswaardigheid. Men kan van gedachten wisselen en vooral naar elkander luisteren, dat is een natuurwet, een ingeschapen harmonie binnen de natuur. Door het luisteren, het opnemen, groeit de mens. Door het uitstralen, afgeven, schenkt hij bloesem en vrucht…’

De enorme energie waar Jan Leene (dus Jan van Rijckenborgh) over beschikte, zorgde uiteindelijk voor het ontstaan van de meest uitgebreide Rozenkruisers-organisatie ter wereld, het Lectorium Rosicrucianum, ook bekend als de Internationale School van het Gouden Rozenkruis. Na zijn dood in 1968 schreef ook zijn zoon Henk Leene (die gewoon onder zijn eigen naam schreef) een behoorlijk aantal boeken, veelal in eigen beheer uitgegeven, waarin hij de gnosis op een heel andere manier beschreef, vrij, altijd aanwezig en niet ingeblikt in een strakke organisatie die inmiddels was ontstaan. Zijn uitgeverij heette ERCEE, waarin we de letters RC kunnen zien als Rosea Crucis.

De inzichten van Henk Leene in de zuiverheid van de gnosis vonden geen weerklank bij de organisatie van zijn vader, het Lectorium. Om deze inzichten toch te kunnen delen richtte hij in 1969 in Frankrijk de ‘Spirituele Gemeenschap Sivas’ op en begon hij het tijdschrift ‘Prometheüs’ uit te geven. De gemeenschap bestaat thans niet meer en de boeken van Henk Leene worden niet meer uitgegeven. Maar voordat deze schat aan hoogstaande geestelijke kennis verloren dreigde te gaan, werd zij verzameld en aandachtig bestudeerd door de rozenkruiser en theosoof Robertus Persaud, geboren in ’s-Gravenhage als zoon van een Hindoevader en Christelijke moeder, die de dochter was van het in ’s-Gravenhage wonende echtpaar Albertus en Clara Ruivenkamp. De vader van Robertus, Alphons Lakhi Swami Persaud, kreeg in 1968 de theosofische fakkel uitgereikt van de heer D.J.P. Kok, de zevende leider van het Theosofisch Genootschap in rechte lijn vanaf Helena Petrovna Blavatsky, teneinde de Theosofie verder te verbreiden in Suriname. In 1976 trad ook Robertus toe tot het Genootschap waarbij hij enkele jaren theosofisch onderwijs kreeg van de heer D.J.P. Kok en mevrouw J. Vermeulen in ’s-Gravenhage. In 1977 maakte hij echter tevens een overstap naar de reeds besproken Rozekruisers organisatie AMORC, alwaar hij zo’n 20 jaar lid van zou blijven waarvan een aantal jaren als regionaal bestuurslid. Gedurende de jaren doorliep hij door de Orde ingestelde graden en inwijdingen en werd in 1983 door de Grootmeester van AMORC, mevrouw I.L.M. Beusekamp-Fabert, aangesteld tot Meester van Pronaos Thot, gevestigd te Nijmegen. Enkele jaren later kreeg hij moeite met diverse verwikkelingen binnen de organisatie waardoor hij zich terugtrok. Hij vond aansluiting bij het Genootschap van het Lectorium Rosicrucianum waar hij de verdieping meende te vinden die hij zocht. Hij gaf zich helemaal aan de studies die hem door onder andere de literatuur geboden werd. Toch botste hij uiteindelijk tegen de ‘moeten en mogen’ cultuur die hij daar ervaarde en na een aantal jaren trok hij zich daar ook terug. Nooit bekritiseerde hij deze lichamen; in zijn geestelijke opvoeding thuis had hij altijd geleerd om in alles je Leraar te zien, ook al is de boodschap niet langer bevredigend. Binnen het Lectorium ervaarde Robertus een appél aan het denkende hoofd, en binnen de AMORC een appél aan het voelende hart. Het Lectorium bood het ‘opengeslagen boek’, de AMORC de ‘brandende kaars’. In organisatorische zin gingen ze echter nimmer samen. Zo vervolgde hij zijn zoektocht naar de éénheid van Hoofd en Hart, en hij vond deze na vele jaren zoeken in het persoonlijk contact met de reeds genoemde zoon van Jan van Rijckenborgh: Henk Leene. Zoals al gezegd had deze veel geschriften het licht doen zien, doch deze dreigden in de vergetelheid te geraken. Henk Leene gaf op 80-jarige leeftijd aan Robertus uitdrukkelijk zijn persoonlijke toestemming om de geest van zijn woorden voort te zetten voor de zoeker van vandaag. Dit inspireerde Robertus des te meer te spreken en te schrijven over de zuiverheid van de gnosis. In 2002 schreef hij het boek: ‘Licht op Gnosis’ (uitgegeven door Servire Z&K, Utrecht) waarin hij niet alleen de Christelijke gnosis, maar ook die van India, Egypte en Tibet besprak. Met geestverwanten die allen hun eigen ervaringen hadden opgedaan binnen de verschillende tradities der Rozenkruisers werd steeds meer nieuwe vorm gegeven aan de oude traditie van de Klassieke Rozenkruisers. Hoofd en Hart werden daarin verbonden opdat de Handen hun heilige zegen mochten geven.

Het boek blijft opengeslagen opdat de mens kennis mag opdoen; de kaars blijft branden opdat de mens zijn weg vinden moge; zo werden de bouwstenen opnieuw verzameld om de Orde van het Klassieke Rozenkruis ‘Fama Fraternitatis’ wederom haar krachtig fundament te geven zodat zij haar lichtende fakkel hoog kan houden in deze moderne wereld met haar dreiging en duisternis.

Wij wijzen u ook op het stukje aan het einde van onze tekst onder het kopje: Waarom ‘Fama Fraternitatis?