Zeer geachte lezer of lezeres,

Zou u van onze site slechts enkele fragmenten lezen, dan zouden onduidelijkheden misschien tot enige onrust kunnen leiden. Wij nodigen u daarom van harte uit even de tijd te nemen om zoveel mogelijk pagina’s met aandacht te lezen, zodat u de onderlinge verbanden goed kunt begrijpen.

Hoewel wij in onze teksten de ‘hij’ vorm gebruiken bedoelen wij steeds man én vrouw.

De Orde van het Klassieke Rozenkruis ‘Fama Fraternitatis’ is een organisatie waarin mannen en vrouwen zich verenigd hebben in hun onderzoek naar het mysterie van het eigen Zelf en hun plaats in de oneindige kosmos. Waar kom je eigenlijk vandaan en waar ga je heen? Wat is geluk en wat is lijden? En wat is de zin of bedoeling van dit alles? In alle eeuwen pogen de godsdiensten min of meer pasklare antwoorden te geven op deze wezenlijke vragen, maar niet iedereen heeft daar vrede mee. Wie zoekt naar de diepere zin des levens, wie de woorden van de Christus, de Boeddha of de Krishna écht wil begrijpen, neemt geen genoegen met een theologische uitleg of een populair boek, nee, die gaat op zoek; en hoe langer en diepgaander die zoektocht wordt, des te eenzamer kan die weg dan worden. Want de ontdekkingen zijn groots, en het zijn steeds de weinigen die de moeite er voor over hebben om die ontdekkingen te doen. Wie het levensmysterie ontsluiert, ervaart dat het wezenlijke in hemzelf een allesoverstijgend, transcendentaal bewustzijn is, die als een roos-in-de-knop, een ‘geest des harten’, haar reis maakt van eeuwen, wachtend op de mens die haar zal doen opengaan.

Dit opengaan of ontwaken vormt het thema die centraal staat binnen de gnostieke tradities van alle culturen. In mythen, sagen en legenden wordt hierover gesproken. Omdat dit ‘ontwakingsproces’ tot het archetypische rijk behoort kan ieder individu, met welke bewustzijnsstaat dan ook, hiermee in aanraking komen en daar op zijn eigen wijze mee omgaan.



De zoekende mens en zijn bewustzijnsstaat.

Deze omgang behoeft niet altijd even eenvoudig te zijn, vandaar dat individuen die deze innerlijke weg aan het bewandelen zijn, vaak begrip en ondersteuning krijgen van elkaar.

Wie zich losmaakt uit de omarming van de massa, pelt zich als het ware los uit een uienschil, waardoor de confrontatie met zijn ware kern steeds intensiever wordt. Het is echter wel de weg van de vóóruitwetende, de vóóruitziener en vóóruitdenker. Zo’n moedige individualist wekt de argwaan op van de machtige organisaties die van de massa profiteren; tevens zal hij een voortdurende bron van afgunst kunnen worden voor hen, die hetzelfde wensen te doen maar daartoe de kracht niet bezitten of er eigenlijk te gemakzuchtig of te angstig voor zijn.

Want er worden bij de mens drie bewustzijnsstaten onderscheiden; in de westerse esoterische traditie worden zij het hylisch, psychisch en pneumatisch bewustzijn genoemd. In andere tradities hebben zij andere namen, maar het fenomeen is van de gehele mensheid.

De hylische mens is stofgericht. Geestelijke leringen zal hij noodzakelijkerwijs rationeel en analytisch trachten te interpreteren. De bloem wordt door de hylische mens ontleed en gekend, maar haar geur ontgaat hem. Al spoedig zal hij de bloem van de geest opzij leggen, want hij is zeer gericht op het bevredigen der zinnen. Indien hij een geestelijk werk in handen krijgt, zal hij zijn interesse alleen doen blijken indien hij meent dat dit werk tot materiële winst kan leiden. Wordt hem echter een offer gevraagd waarbij de zinnen zullen moeten afzien van –vaak destructieve- bevredigingen, dan zal hij dit werk toch opzij leggen want zijn bewustzijnsstaat is immers gericht op de lagere beginselen van het bestaan. Hij is hiermee geenszins een slecht mens, hij kan een weldoener en altruïst zijn, doch tegelijkertijd onwetend van zijn hogere dimensies. Ook aan hem zullen gedurende zijn levens de beproevingen worden uitgereikt totdat zijn ogen geopend worden.

De psychische mens is gericht op het experiment die ervaring verschaft. Zijn inzicht is sluimerend en hij voelt zich sterk aangetrokken tot mystiek, waarin de diverse vormen zijn zinnen zullen prikkelen. Gebeden of gezangen, mantra’s en meditatieve oefeningen maken deel uit van zijn programma. Vaak kent hij grote geestelijke waarde toe aan een autoriteit buiten hem. Hij zal soms beweren dat zijn ‘ontwaken’ als donderslag bij heldere hemel bij hem voorkwam. Maar:

van niets is de mens zo overtuigd als van het feit dat hij wakker is; toch is hij in werkelijkheid gevangen in een net, dat hij zelf uit slaap en droom heeft geknoopt. Hoe dichter dit net is, hoe machtiger de slaap heerst; zij, die erin verstrikt zijn, zijn de slapers, die als vee naar de slachtbank door het leven gaan, onverschillig en gedachteloos.

De dromers onder hen kijken door de mazen van een getraliede wereld,- zij zien slechts misleidende fragmenten, stellen hun handelen daar op in en weten niet dat deze beelden slechts zinloze brokstukken zijn van een geweldig geheel. Deze ‘dromers’ zijn niet, zoals je misschien zult denken, de fantasten en dichters – het zijn de bedrijvigen, de vlijtigen, de rustelozen der aarde, die opgeslokt zijn door de illusie van het doen; ze lijken op lelijke, nijvere kevers, die tegen een gladde buis opklimmen, om eenmaal boven aangekomen – erin naar beneden te vallen. (1)

Hylische en psychische bewustzijnsstaten kunnen voor de ene mens een tussenstation zijn en voor de andere een eindstation. Tussen de verschillende staten zijn er uiteraard onnoemelijk veel tussenfases. Het is niet aan de mens om over de bewustzijnsstaat van de andere mens te oordelen. Een ieder weet het van zichzelf, of hij weet het niet. Wie zich bewust wordt van de bijna onhoorbare roep –de fama- van het eigen hart, van de Ander die daarin verborgen is, die zal trachten zijn ogen te openen en zijn weg terug te vinden. Al naar gelang zijn bewustzijnsstaat zal hij die weg uitstippelen; om alzo te ontdekken, of zijn bewustzijnsstaat in zijn huidige leven een tussen- of eindstation is en in welke fase hij zich bevindt. Waarbij gezegd moet worden, dat hij, die zijn eigen situatie geheel doorziet, op dat moment weer een fase verder is. (2)

De mens met een pneumatische bewustzijnsstaat is zich bewust van zijn slaap- en droomtoestand. Maar hij is niet langer de pion, doch de speler van het spel en hij weet dat het spel zijn gevangenschap is. Dit weten heeft hem doen ontwaken die hem het verschil doet inzien tussen de schijn en het wezenlijke. Maar dit weten leidt ook tot eenzaamheid van de geest. Hij is de Johannesmens geworden, een roepende in de woestijn, wiens boodschap luidt ‘de weg des Heren te bereiden en zijn paden recht te maken’ (3). De Johannesmens weet dat zijn rol die van de wegbereider is, de Inwijder die met water doopt. Wij moeten de metaforische waarde van deze vertellingen goed inzien teneinde ons levenspad te begrijpen. De Johannesmens spreekt over de Ander, die na hem komt. De Johannesmens is vóór Hem, de bruidegom, uitgezonden. De blijdschap van de Johannesmens is reeds vervuld als hij de stem van de bruidegom hoort; en hij weet dat hijzelf minder moet worden en de Ander meer. (4)